HomeOver E-ConsultingDienstenDownload en InfoFoto'sContacteer onsFavoriete links
Blowerdoor
Energybox
EPC publieke gebouwen
EPC_Verkoop en Verhuur
Energieboekhouding
Quick scans
Lastenboeken
Energie-Audits
Haalbaarheidsstudie
Blowerdoor
Infrarood
Radiatorfolie

Blowerdoor als kwaliteitsnazicht

Wat is blowerdoor?
Een blowerdoor is een plastic deur met een ventilator in die de lucht in de woning naar buiten zuigt. Op die manier zal het duidelijk worden op welke plaatsen er nog lekken zijn die nog lucht naar binnen laten en waar er dus energie verloren gaat.

Omvang van de prestatie
-              De meting gebeurd volgens de norm NBN EN 13829.
-              Controle van de gebouwschil, zodat deze op het tijdstip van de meting zich in een goede toestand voor controle bevindt.
-              Steekproeven op lekkageplaatsen met de windsnelheidsmeter en infrarood camera.
-              Het vervaardigen van het meetverslag met aanduiding van de luchtwissel volgens de n50 en commentaar over de gebouwtoestand.
-              Wij voorzien 1 BlowerDoor om de meting uit te voeren.

Voorwaarden bij meting van het gebouw
-              Het gebouw bevindt zich op het ogenblik van de meting in een goede meetbare toestand.
-              Er moet een voorziening van 230 volt aanwezig zijn.
-              Tijdens de meting moet men zeker zijn dat alle buitendeuren en ramen gesloten blijven.
-              Als er een verluchtingssysteem aanwezig is zal deze afgedicht worden.
-              De meting kan enkel uitgevoerd worden wanneer de windsterkte lager is dan 3 beaufort of 6m/s.
-              Indien de stookplaats zich in het beschermde volume bevindt, zal de ketel uitgeschakeld worden om te vermijden dat er rookgassen in het te meten binnenvolume terecht komen.
-              De datum voor het uitvoeren van de meting dient ten minste 2 weken op voorhand gekend te zijn, of indien anders besproken.
-              Om een meting te kunnen uitvoeren hebben wij de volgende gegevens nodig:
o    Het binnenvolume V. (m³)
o    De gebouwschil Ae (m²) indien mogelijk

Te meten zone
De te meten zone moet worden bepaald, door de aanvrager van de test, in samenhang met de opdeling van het gebouw in het kader van de EPB-regelgeving. De te meten zone moet minstens het hele beschouwde EPW- of EPU-volume bevatten en mag geen ruimten bevatten die buiten het beschermd volume (BV) vallen, zoals aangrenzende onverwarmde ruimten.
 
Tijdstip van de meting en staat van het gebouw
De meting kan alleen plaatsvinden indien de gebouwschil volledig dicht is: plaatsing van alle vensters en deuren die de gemeten zone begrenzen.
Aanbevelingen
Voor zover ze het luchtdichtheidsscherm dreigen aan te tasten, is het aanbevolen dat de volgende werken beëindigd zijn alvorens de meting uit te voeren:
-              verwarming,
-              ventilatie,
-              sanitair,
-              elektriciteit,
-              afwerking van de muren (bepleistering, platen, lambrisering enz.),
-              schilderwerk, tapijten.
 
Methode
 
Keuze van de methode
De norm NBN EN 13829 definieert twee meetmethodes naargelang van de doelstelling die door de luchtdichtheidsproef wordt beoogd.
Methode A laat toe om de luchtdichtheid van het gebouw in reële omstandigheden te meten.
De norm NBN EN 13829:2001 vermeldt: "De toestand van de gebouwschil dient de toestand ervan weer te geven tijdens het seizoen waarin de verwarmings- of koelsystemen worden gebruikt”. Met deze methode moeten de bewuste openingen die voorzien zijn van een sluitingsinrichting gesloten zijn (deuren, vensters, regelbare ventilatieopeningen).
Methode B laat toe om de luchtdichtheid van de gebouwschil te meten. De norm NBN EN 13829 vermeldt: "Alle bewuste openingen in de gebouwschil moeten worden gesloten of afgedicht."
 
Methode A is er dus op gericht het luchtlekdebiet te meten dat bijdraagt aan het infiltratie/exfiltratiedebiet in reële omstandigheden, en is dus van toepassing om de luchtdichtheid vanuit energiestandpunt te meten.
Methode B is gericht op het meten van het luchtlekdebiet alleen door de gebouwschil en niet door de bewuste openingen in de gebouwschil; ze is dus van toepassing om specifiek de afwerkingkwaliteit van de gebouwschil te evalueren.
In het kader van de EPB-regelgeving wordt met de luchtdichtheidsmeting beoogd de energieverliezen als gevolg van infiltratie/exfiltratie te kwantificeren. De energieverliezen door hygiënische ventilatie zijn al via een andere weg ingerekend in het E-peil. Daarom moeten dus alleen de bewuste openingen die bestemd zijn voor hygiënische ventilatie gesloten te zijn om de meting uit te voeren. Het luchtlekdebiet doorheen alle andere openingen, bewust of niet, moet dus in rekening worden gebracht bij de meting van de luchtdichtheid; bijgevolg is de methode A van toepassing. Deze andere openingen of lekken
die bijdragen tot de verliezen door infiltratie/exfiltratie en waarmee rekening moet worden gehouden zijn bijvoorbeeld:
-              de niet-afsluitbare ventilatieopeningen (in de zin van de norm NBN D50-001, d.w.z. die niet voorzien zijn van een sluitingsinrichting) voor bijvoorbeeld een open verbrandingstoestel, een dampkap of een droogkast,
-              de schoorstenen,
-              de lekken via de gebouwschil,
-              de lekken via de bewuste openingen in gesloten toestand (deze mogen dus niet te worden afgedicht).
-              Enz.
Noteer dat methode A dus veeleisender is dan methode B: een luchtlekdebiet gemeten volgens methode A zal altijd groter dan of gelijk zijn aan het luchtlekdebiet gemeten volgens methode B.
 
Voorbereiding van het gebouw
 
 Bewuste openingen
-              ‘afdichten’: hermetisch afsluiten met alle mogelijke geschikte middelen (kleefmiddel, ballon, enz.)
-              ‘sluiten’: het gebruik van de op de betrokken opening aanwezige sluitingsinrichting zonder de luchtdichtheid van de opening in gesloten toestand te verhogen.
 
Algemene regel voor de openingen in de gebouwschil van de te meten zone
De bewuste openingen in de gebouwschil van de te meten zone moeten worden gesloten.
Deze openingen mogen dus niet worden afgedicht. Wanneer er geen sluitingsinrichting voorzien is, mag geen enkele maatregel worden genomen om de dichtheid van de opening te verhogen. Openingen die mogelijk geen sluitingsinrichting hebben, zijn bijvoorbeeld:
bepaalde luchtafvoeropeningen (droogkast, dampkap, enz.), bepaalde schoorstenen (open haard, open verbrandingstoestellen, enz.), waskoker, monden voor een centrale stofzuiger, enz.
De openingen moeten gesloten worden zodanig dat ze gedurende de hele meting gesloten blijven. In sommige gevallen zullen opzettelijke openingen gesloten moeten worden gehouden door middel van een bijkomende en doeltreffende voorziening. De gebruikte voorziening om een opening gesloten te houden kan bijvoorbeeld bestaan uit een stukje kleefband, een mechanische inrichting (een spie, een gewicht …) maar mag in geen geval
worden gebruikt om de dichtheid van de opening in gesloten toestand te verhogen. De openingen die op deze manier eventueel zouden moeten worden dicht gehouden zijn bijvoorbeeld: kattenluiken, brievenbussen, enz.
Tevens moet de automatische werking van regelbare toevoeropeningen (RTO) of regelbare afvoeropeningen (RAO) zoals vraagsturing door aanwezigheidsdetectoren, CO2-sondes enz. worden gedeactiveerd opdat deze openingen tijdens de hele meting gesloten blijven.
 
Mechanische ventilatiesystemen
De norm eist dat de luchtopeningen (ventilatiemonden) van mechanische ventilatiesystemen
of air conditioningsystemen worden afgedicht. Alternatief, en in afwijking van de norm, is het
toegestaan om deze systemen af te dichten ter hoogte van de kanalen zo dicht mogelijk bij de
plaats waar deze kanalen door de gebouwschil van de te meten zone gaan (of door het
luchtdichtheidsscherm).
In de praktijk volstaat het om:
-              ofwel alle individuele ventielen af te dichten (item 1 in Figuur 3),
-              ofwel de hoofdkanalen af te dichten tussen de ventilator en de gebouwschil van de te meten zone (item 2 in Figuur 3), ongeacht de positie van de ventilator ten opzichte van de gebouwschil (binnen of buiten de te meten zone).
-              Ofwel de buitenopeningen af te dichten (luchtinlaat en –uitlaat, item 3 in Figuur 3)
 
Een praktisch middel om kanalen of openingen af te dichten bestaat erin de ventielen weg te
nemen en het luchtkanaal met een luchtballon af te sluiten. De afdichting moet omkeerbaar
zijn zonder schade voor het kanaal.
Indien in een afvoerkanaal van een ventilatiesysteem van type A of B een ventilator wordt ingebouwd (zie § 4.3.1.3, Opmerking 3 van de norm NBN D 50-001:1991), wordt dit nog steeds als een natuurlijke en niet als een mechanische afvoer beschouwd. Overeenkomstig bovenstaande regels mogen dergelijke kanalen dan ook niet afgedicht worden, maar moeten hun regelbare afvoeropeningen gesloten worden.
 
Openingen waaraan nog gewerkt wordt of wachtopeningen
Bewuste openingen waaraan nog gewerkt wordt of in afwachting van de installatie van een toestel (verbrandingstoestel, dampkap, droogkast, zonneboiler, enz.) mogen niet tijdelijk worden afgedicht voor de meting.
Indien deze openingen in normale gebruiksomstandigheden van het gebouw echter niet gebruikt worden dan is het toegestaan deze openingen3 adequaat en duurzaam af te dichten.
Het adequaat en duurzaam afdichten van deze niet gebruikte openingen is geen taak die toekomt aan de uitvoerder van metingen. Hij mag echter eisen dat een afdichtingsvoorziening die hij niet als adequaat en/of duurzaam beoordeelt, wordt verwijderd. Openingen voor niet geïnstalleerde apparaten waarvan de afdichting normalerwijze niet is gerechtvaardigd zijn
bijvoorbeeld:
-              Een afvoeropening voor een dampkap
-              Een afvoeropening voor een droogkast
-              Een schouw of een luchttoevoeropening voor een verbrandingstoestel als het gebouwnog niet voorzien is van verwarming
-              Een opening voor een apparaat dat al geleverd werd
-              Enz.
 
Brandkleppen
De norm NBN EN 13828:2001 (§5.2.2) geeft onder andere aan om de brandkleppen in de gebouwschil van de te meten zone te sluiten. In het kader van de EPB-regelgeving moet deze eis als volgt worden begrepen:
-              Brandkleppen die normaal gesloten zijn en zich automatisch openen in geval van brand, voor het afvoeren van rook bijvoorbeeld (type C), moeten inderdaad gesloten blijven tijdens de meting.
-              Echter, brandkleppen die normaal open zijn en zich automatisch sluiten in geval van brand, (type A en B) mogen niet worden gesloten tijdens de meting.
 
Openingen in ruimten die grenzen aan de te meten zone
In de (verwarmde en onverwarmde) ruimten buiten de te meten zone (bijvoorbeeld, een serre, een veranda, een garage enz. die geen deel uitmaken van de te meten zone), mogen de deuren, vensters en regelbare toevoeropeningen en andere openingen die eventueel in de buitenschil zijn aangebracht, ook worden gesloten, maar niet worden afgedicht.
 
Openingen binnenin de te meten zone
De norm NBN EN 13829 (§5.2.2) bepaalt onder andere de eisen met betrekking tot de verbindingsdeuren binnenin de te meten zone. In het kader van de EPB-regelgeving zijn de volgende bijkomende specificaties van toepassing. Met uitzondering van deuren van ingemaakte kasten en van toiletten, moeten alle andere deuren, luiken en openingen binnen de te meten zone geopend zijn, indien deze kunnen worden geopend zonder gereedschap, zodat het geheel van de te meten zone op een homogene wijze reageert op de opgelegde druk. De Franse term ‘placard’ die gebruikt wordt in de norm, slaat enkel op kasten of ingemaakte kasten. De openingen die geopend moeten zijn, zijn bijvoorbeeld:
-              De binnendeuren
-              Een luik naar een technisch lokaal binnen de te meten zone
-              Een luik naar een technische schacht die deel uitmaakt van de te meten zone
-              Een deur naar een berging
-              Een luik naar een zolder of een kelder die behoren tot de te meten zone
 
Om praktische- en veiligheidsredenen is het toegestaan dat sommige openingen gesloten blijven (bv. toegangsdeuren naar liften of naar hoogspanningcellen).
Indien een ruimte die deel uitmaakt van de te meten zone geen opening (die geopend kan worden zonder gereedschap) heeft naar de rest van de te meten zone, maar wel naar buiten, moet deze afzonderlijk gemeten worden (zie § 2.1, te meten zone)
Indien een ruimte die deel uitmaakt van de te meten zone geen opening (die geopend kan worden zonder gereedschap) heeft naar de rest van de te meten zone, noch naar buiten, moet er geen enkele maatregel worden genomen.